Accepteer cookies om deze inhoud in te laden.

De Olympische Spelen claimden een universele identiteit te willen bevorderen door inclusieve internationale competitie. In principe waren deze claims gericht op de opname van de arbeidersklasse in de Olympisch beweging. In de praktijk was de amateurrestrictie een manier om controle te houden over de participatie van wat toen heette 'de lagere klassen', omdat arbeiders niet in staat waren de kosten op te brengen voor een Olympische carrière. Sport was vooral een aspect van de opvoeding van de hogere klassen, want was een onderdeel van het Britse kostschoolmodel, en kostscholen waren slechts voor de geprivilegieerden. De Coubertin zag voor de gegoede klasse en aristocratie een verantwoordelijkheid weggelegd om de lagere klasse te ondersteunen en zich op te stellen als begunstigers van arbeiders in hun sportondernemingen.

De arbeidersklasse opnemen in de Spelen was een manier om de controle van de aristocratie en de bourgeoisie over de lagere klassen te verstevigen. De arbeidersklasse groeide sterk in omvang en kreeg meer politieke zeggenschap door de uitbereiding van het stemrecht en door de toename in het aantal arbeidersverenigingen. Tegelijkertijd was er groeiende onrust en ontevredenheid onder de arbeiders door de zware omstandigheden van het veeleisende werkleven in de snel geïndustrialiseerde maatschappij. Voor De Coubertin was sport een manier om de nationale solidariteit tussen de klassen te bevorderen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de positie van de hogere klassen.

Nationale of internationale arbeidersklasse

De Coubertin maakte onderscheid tussen twee vormen van internationalisme in zijn uitleg van universaliteit. Ten eerste was er het internationalisme zoals dat de Olympische Spelen, gebaseerd op klassensolidariteit binnen de grenzen van de nationale staat. Ten tweede was er het socialistisch internationalisme gebaseerd op transnationale solidariteit tussen arbeiders van alle landen. De Coubertin verwierp de laatste vorm, omdat die het idee van de natie ondergroef. De Coubertin zag de natie als een fundamenteel en noodzakelijk referentiepunt voor een gunstige vorming van een internationale gemeenschap.

Om deze reden organiseerde de Socialistische en Communistische beweging in Europa alternatieve evenementen – de socialistische Workers Olympiad en de Communistische Spartakiad. De arbeiderssportverenigingen ontwikkelden zich uit weerstand tegen de ‘burgerlijke’ sportorganisaties als de Olympische beweging, die volgens hen exclusief, chauvinistisch en militaristisch waren. Tot de Tweede Wereldoorlog werden er verschillende alternatieve evenementen georganiseerd voor de lagere klassen. In 1963 speelde klassenverschillen een belangrijke rol in de organisatie van de GANEFO (Games of the New and Emerging Forces Organization in Indonesië, geïnitieerd door Soekarno). De GANEFO werd georganiseerd als alternatief evenement van socialistische landen in oppositie tegen de burgerlijke Olympische Spelen waarin imperialistische landen het voor het zeggen hadden.

Gedurende meer dan de helft van de geschiedenis van de moderne Olympische Spelen is participatie beperkt geweest tot atleten met een amateurstatus. De betekenis van deze amateurstatus wordt betwist. Volgens sommigen is de restrictie geworteld in een vorm van klasse-partijdigheid, omdat slechts de aristocratie en hoge burgerij in staat waren om de onkosten van sportbeoefening te kunnen opbrengen in de Spelen, die werden geacht niet-commercieel te zijn. IOC president Avery Brundage sprak zich sterk uit tegen commercie in de Spelen en zag de amateurrestrictie as het crux van zijn concept van Olympisme - hierop waren alle waarden en doelstellingen van de Olympische idealen gebaseerd. In zijn ‘Olympic Story’ legt Brundage uit: “amateur sport is the only kind of sport there is, because if it isn’t amateur, it isn’t sport – it is business”. Als de amateurrestrictie zou worden opgeheven, zouden zijn Olympische idealen instorten.

Sponsoring en opheffing van de amateurrestrictie

Door de amateurrestrictie en het verbod op inkomstencompensatie, zochten atleten vaak naar aanvullende bronnen van inkomsten. De Hollywood filmindustrie bijvoorbeeld zocht naar nieuw talent onder de atleten, vanwege hun nieuwe beroemdheid. Zo werd de rol van Tarzan in verschillende vertolkingen gegeven aan Decathlon-atleet Glen Morris en Olympische zwemmers Johnny Weismuller en Clarence Crabbe.

Olympische atleten die rijk zijn geworden van sport zijn meer uitzondering dan regel. Nog steeds brengt een Olympische carrière voor het merendeel van de atleten weinig geld op, omdat de meeste geldprijzen en sponsorcontracten voorbehouden blijven aan de kleine top van de beste atleten. Deelname is daarom makkelijker voor atleten die hun inkomen niet via de sport verkrijgen.

De amateurrestrictie werd aangepast in de tweede helft van de twintigste eeuw, maar werd gaandeweg opgeheven in de jaren 1970 toen de term amateurisme verdween uit het Olympisch Handvest.

De Koude Oorlog problematiseerde de notie van een amateuratleet, door het sportbeleid van het Sovjetregime dat sport bevorderde door staatsinvesteringen en opgedrongen dopinggebruik. Om de door de staat gesponsorde voltijds-amateur atleten van het Oostblok te kunnen bijbenen, stemde het IOC in met de opheffing van de amateurrestrictie. Na 1988 verklaarde het IOC alle professionele atleten in staat om deel te nemen.

Het opheffen van de amateurrestrictie opende de deur voor de sterke professionalisering van sport en de nieuwe sterrenstatus van de atleten. Individuele sponsoring en endorsement deals werden nieuwe manieren voor de atleten om inkomsten te generen – hoewel deze slechts in het bereik lagen voor een klein geheel aan topatleten. Vandaag gaan er onder atleten veel stemmen op om regel 40 uit het Olympisch Charter, een gedateerde restrictie op individuele sponsoring tijdens de Spelen en een laatste bastion van het klasse-favoritisme, ook moet worden opgeheven.

Rijkdom blijft een voordeel

Een laatste klasse-gerelateerde aspect is dat het BNP de beste voorspeller blijft voor het Olympische succes van de deelnemende staten. Daarbij scoren de rijkste landen vaak het hoogst op de medaillespiegels. Het BNP is een indicatie is voor de beschikbare technologie, geld en de faciliteiten die Olympische atleten kunnen worden aangeboden. In het BNP zit overigens altijd ook een element van bevolkingsomvang verstopt – de grootte van een economie hangt samen met de grootte van de bevolking, maar alleen bevolkingsgrootte is geen betrouwbare voorspeller van succes van landen.

De ongelijke distributie van de welvaart in de Wereldeconomie is een nog altijd bestaand effect van het kolonialisme tijdperk in de wereldgeschiedenis. De Olympische Spelen zijn zo ook nog steeds een spel van de rijken.

Bronnen

Butler, B.S. (1992), ‘Muscular Marxism and the Chicago Counter-Olympics of 1932’, International Journal of the History of Sport, 9:3, pp. 397-410.

Gounot, André (1998), ‘Between Revolutionalry demands and diplomatic necessity: The uneasy relationship between Soviet sport and worker and bourgeois sport in Europe from 1920 to 1937’, in: P. Arnoud en J. Riordan, Sport and Internatinoal Politics. The Impact of facism and communism on sport, London: Routledge.

Hunt, Thomas M. (2007) ‘Countering the Soviet Threat in the Olympic medals race: The Amateur Sports Act of 1978 and American athletics policy reform’, in The International Journal of the History of Sport, 24:6, 796-818.

Riordan, J. (1984), ‘The Workers’ Olympics’, in Tomlinson and Whannel, Five Ring Circus: Money, Power and the Politics in the Olympic Games, London: Pluto.

Klaas Kuitenbrouwer, Het Nieuwe Instituut
Yuri Veerman
Random Studio & Yuri Veerman
Random Studio
Random Studio
Mikhail S. Spektor & Dr. Gilles Dutilh (University of Basel)
Marc van der Valk
Jane Szita
In-Casting
International Paralympic Committee (IPC) Olympic Television Archive Bureau (OTAB) UCLA Film & Television Archive

Dit project maakt deel uit van de programmalijn Jaarthema's en het dossier Olympische Spelen.