Accepteer cookies om deze inhoud in te laden.

Ten tijde van de eerste moderne Olympische Spelen aan het einde van de 19e eeuw werd het wereldtoneel gedomineerd door het Westerse imperialisme - Europeanen beheersten 67 procent van de wereld in 1878, en 84 procent in 1914. De Westerse overmacht werd gelegitimeerd in ‘wetenschappelijke’ sfeer met de theorieën van het Sociaal Darwinisme. Daarin speelde ideëen over verschillende menselijke rassen een belangrijke rol. Als Europese wetenschappers raciale rangschikkingen opstelden, maakte het blanke West-Europese ras zonder uitzondering de dienst uit. Het was het hoogtepunt van de evolutie, een bewering die met diverse theoretisch onderbouwde metingen werd ondersteund.

Ook in de Europese sportcultuur leefden deze claims van hegemonie van het Europese blanke ras in sterke mate. De Coubertin stelde: “Indien men wenst de inheemse volkeren in gekoloniseerde gebieden op te nemen in wat wij noemen de gunstige effecten van ‘atletische beschaving’, dan moeten zij verplicht worden om deel te nemen aan het brede atletische systeem van gecodificeerde regels en comparatieve resultaten, die een nodige basis vormen voor die beschaving[1] Als niet-blanke niet-Europeanen wensten te worden opgenomen in de geciviliseerde wereld van de sport, dan moesten ze zich een Westerse standaard aanmeten. Olympische sport was daarom een uitdrukking van het imperialistische streven van Europese landen in de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw.

Antropologie Dagen

Het imperialistisch karakter kwam sterk naar voren in de Spelen van 1904 in de Amerikaanse stad St. Louis, waar de zogenaamde Antropologie Dagen werden toegevoegd aan Olympisch programma door het organiserend comité. In de beginfase van de Olympische geschiedenis werden de Spelen vaak samen georganiseerd met de Wereldtentoonstellingen, waarin de internationale vooruitgang werden gevierd. Vaak hield dit in dat inheemse volkeren werden geïmporteerd om te worden tentoongesteld, Daarmee werden stadia in de menselijke ontwikkeling geïllustreerd.

Het Amerikaanse organiserend comité voegde de Antropologie Dagen toe aan het programma, een tweedaags onderdeel van de Olympische Spelen waarin de aanwezige inheemse en exotische volkeren met elkaar streden in ‘traditionele’ sportactiviteiten als speerwerpen en touwtrekken. Antropologen organiseerden Olympische lezingen over de inheemse lichamelijke cultuur van onder andere de aanwezige Japanse Ainu, volken van Argentijns Patagonia, de Afrikaanse Pygmeeën en de Indianen uit Amerika.

Het imperialistische karakter van Europa en de Olympische beweging verloor al terrein in het Interbellum. De economische depressie van de jaren 1930 en het verwoestend effect van de Wereldoorlogen deden afbreuk aan geloofwaardigheid van de Europese superioriteitsclaim. Het Europese imperialisme kwam geleidelijk tot een einde, toen de gekoloniseerde gebieden werden bevrijd in de jaren 1950 en 1960.

Human Rights movement

In de jaren 1960 kwam de human rights movement een tot ontwikkeling in de Verenigde Staten met Martin Luther King als beroemde voorvechter. Ook de Spelen werden toegeëigend als een podium voor protest tegen racisme. Vooral in de atletiekonderdelen, waarin niet-blanke atleten de medaillespiegels domineerden, identificeerden atleten zich met black struggle en de strijd tegen raciale ongelijkheid. Zwarte atleten werden van oudsher gerepresenteerd in termen van ras en biologische inferioriteit; nu werden deze noties ingezet in een politieke strijd voor gelijkheid op het podium van de Spelen. Wat er in deze context werd verstaan onder ‘ras’ had overigens niet zozeer te maken met genetische kenmerken, maar ging vooral over een zichtbaar niet-Westers uiterlijk en een gedeelde ervaring van onderdrukking en onrechtvaardigheid.

Black power in de sprint

Sinds de jaren 1980 zijn er verschillende zwarte atleten die uitzonderlijk succesvol zijn geweest op de Olympische Spelen, en vandaag wordt het 100-meter sprintonderdeel gemonopoliseerd door atleten uit de West-Afrikaanse diaspora: alle veertig finalisten in de laatste vijf jaar van de 100-m sprint hebben een West-Afrikaanse afkomst (Entine, 2000: 24)  Blanke deelnemers zijn een zeldzaamheid geworden. Atleten met een Afrikaanse afkomst domineren ook de langeafstandsevenementen, maar dit zijn vooral Oost Afrikanen.

Op basis hiervan worden conclusies getrokken over genetische kenmerken die atleten bovenmatig geschikt maken voor de explosieve prestatiekracht die nodig is om de 100-meter sprint op dit topniveau te kunnen lopen. Toch gaat dit in de praktijk vaak weer gepaard met vooroordelen, als bij zwarte atleten in de media worden beschreven dat ze ‘een natuurlijk vermogen’ hebben tot kracht en snelheid. Blanke atleten daarentegen worden gevierd om hun disciplinering en hun ‘werk’. Er is nog geen consensus over hoe de ‘zwarte dominantie’ moet worden geïnterpreteerd en het blijft een gevoelig onderwerp.

Neokoloniaal?

Sommigen beweren dat er in de Olympische Spelen nog steeds neigingen van neokolonialisme te herkennen zijn en dat het onderdrukkende verhoudingen probeert te verbergen. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer inheemse bevolkingen een bijrol krijgen in de Olympische ceremonieën, zoals in Montreal (1976) en Sydney (2000) (Forsyth en Wamsley, 2005). Sport faciliteert het bij elkaar komen van verschillende groepen mensen, maar het assimilationistisch beleid van het IOC stelt dat alle groepen zich te schikken hebben naar een Westerse norm – in zowel de regels van de sport, als in de voorwaarden die het IOC stelt aan een kandidaat-stad, als in het beeld dat het IOC schept van de Olympische atleet. Het beeld van de ‘Olympische atleet’ veronderstelt een geheel aan kenmerken die van oudsher verbonden zijn met Westerse idealen, en niet-Europese atleten met bijvoorbeeld een Afrikaanse en Aziatische afkomst worden vaak in de media geportretteerd in termen van raciale stereotypen.

De notie van menselijke rassen in biologische zin, is wetenschappelijk niet te vol te houden: verschillen in uitersten binnen één ‘ras’ zijn vele malen groter dan de verschillen tussen gemiddelden van het ene ‘ras’ en het andere. Toch blijft het concept van ras in de publieke sfeer een belangrijke rol spelen. Ras is dan eerder een kwestie van stereotypische representatie en valse vooronderstellingen, maar blijft desalniettemin een belangrijk concept in hoe wij anderen en onszelf zien. Ook in de Olympische Spelen blijft de notie van ras aanwezig, ondanks de ambities van het IOC van non-discriminatie en gelijkheid.

Bronnen

Entine, Jon (2000), Taboo. Why Black Athletes Dominate Sports and why we’re afraid to talk about it, New York: Public Affairs.

Forsyth, Janice en Kevin B. Wamsley (2005), ‘Symbols Without Substance: Aboriginal Peoples and the Illusions of Olympic Ceremonies’, in: Global Olymipcs: Historical and Sociological Studies of the Modern Games, vol. 3, 227-247.

1. “If one wishes to extend to natives in colonized countries what we boldly call the benefits of “athletic civilization,” they must be made to enter into the broad athletic system with codified regulations and comparative results, which is the necessary basis of that civilization.”

 

Klaas Kuitenbrouwer, Het Nieuwe Instituut
Yuri Veerman
Random Studio & Yuri Veerman
Random Studio
Random Studio
Mikhail S. Spektor & Dr. Gilles Dutilh (University of Basel)
Marc van der Valk
Jane Szita
In-Casting
International Paralympic Committee (IPC) Olympic Television Archive Bureau (OTAB) UCLA Film & Television Archive

Dit project maakt deel uit van de programmalijn Jaarthema's en het dossier Olympische Spelen.